PrintMail this page

blaasinstrumenten

door Géry Dumoulin

Blaasinstrumenten of aërofonen brengen geluid voort doordat een luchtstroom aan het trillen gebracht wordt. Meestal betekent dat dat een muzikant lucht in een buis op een of andere manier aan het trillen brengt, maar bij sommige aërofonen is het de lucht om het instrument heen die gaat trillen. Zo bijvoorbeeld bij de ronker.

Maar de meeste aërofonen die als volwaardige muziekinstrumenten beschouwd worden zijn dus voorzien van een of ander soort buis waarin lucht aan het trillen gebracht wordt. Dat kan op verschillende manieren gebeuren en het is de manier waarop de lucht aan het trillen wordt gebracht die zal bepalen van welk type blaasinstrument wij spreken. Er zijn nuances naargelang het classificatiesysteem, maar 3 grote categorieën komen toch telkens naar voren : de fluittypes, waar de trillingen ontstaan door de lucht te projecteren op een snijvlak, de rietinstrumenten, waar trilling ontstaat door de beweging van een enkel of een dubbel riet, en de blaasinstrumenten van het type "trompet", waar de muzikant met zijn lippen de lucht doet trillen in een mondstuk. In gangbaar taalgebruik horen de eerste 2 categorieën bij de houtblaasinstrumenten, en de laatste bij de koperblaasinstrumenten. De typologie wordt dus bepaald door de manier waarop de trillingen teweeg worden gebracht, en niet door het materiaal waarvan het instrument gemaakt is. De metalen saxofoon hoort toch bij de houtblaasinstrumenten omdat hij een riet heeft, terwijl de houten zink toch bij de kopers hoort omdat hij aangeblazen wordt met een mondstuk, net zoals een trompet.

De lengte van de trillende luchtstroom bepaalt de toonhoogte : een lange buis brengt een lage toon voort, een korte een hoge. De manier waarop de lucht aan het trillen wordt gebracht is de belangrijkste bepalende factor voor de klankkleur van het instrument. Vooral bij de aanzet herkennen wij het type instrument. Verder typeert ook de vorm van de buis - de boring - het karakter van de resulterende toon. Maar dat gaat over de basisklank of kleur van het instrument. Om muzikale melodieën te kunnen spelen moet een muzikant bovendien hoger en lager kunnen spelen. Bij de blaasinstrumenten zijn daar allerlei oplossingen voor bedacht. Elke toon is eigenlijk samengesteld uit een door de natuurwetten vastgelegde reeks tonen. De hoofdtoon wordt dus altijd aangevuld door een reeks boven- en ondertonen of harmonieken. Bouwers hebben handig gebruik gemaakt van deze fysieke gegevenheid. Op koperinstrumenten van vóór de uitvinding van het ventiel, zoals de natuurtrompet en de natuurhoorn, brengt een muzikant de verschillende toonhoogtes voort enkel en alleen door de lipspanning aan te passen. Dat levert uiteraard een beperkt bereik op, dat nog wordt bepaald door de grootte van het instrument (de lengte van de buis) en de capaciteiten van de muzikant.

Andere procédés werden toegepast om deze natuurlijke reeks verder aan te passen, zodat meer noten konden gespeeld worden. Bedoeling was steeds om de blaasinstrumenten volledig chromatisch te maken. Koperblazers gebruiken gestopte noten, waarbij het paviljoen geheel of gedeeltelijk met de hand wordt afgestopt, en koperinstrumenten zijn meestal voorzien van schuiven, gaten, kleppen of ventielen om de buis te verlengen of te verkorten, op bepaalde plaatsen te openen of te sluiten of om buisjes aan de hoofdbuis toe te voegen. Houtblaasinstrumenten, aërofonen met een snijvlak of met rieten, werken vooral met lateraal op het corpus geplaatste gaten. De muzikant dekt de gaten af met de vingers of met een systeem van ringen of kleppen en regelt zo de toonhoogte.