PrintMail this page

conservatie van muziekinstrumenten in het mim

De Nederlandse muzikant en muziekgeschiedschrijver Johan Cornelis Marius van Riemsdijk schrijft in 1882 over de toenmalige collectie muziekinstrumenten in Brussel:

"Hetgeen reeds dadelijk de aandacht trekt is de voortreffelijke toestand van onderhoud, waarin de instrumenten verkeeren. Men ziet dat hier niet alleen om der curiositeit wille oude muziekinstrumenten worden bewaard. De spinetten en clavecimbalen staan daar zuiver gestemd en geheel gereed om bespeeld te worden; de strijkinstrumenten zijn besnaard; aan de blaasinstrumenten is evenmin de noodige zorg onthouden. Terwijl in gewone musea de oude muziek-instrumenten bijna altijd in onspeelbaren toestand tentoon gesteld worden, en men zich slechts een denkbeeld kan vormen van den uitwendigen vorm, en zelden de inwendige constructie kan bestudeeren, ziet de bezoeker van dit museum zich in staat gesteld een oordeel te vellen over het geluid aan het instrument eigen, en over de wijze waarop de speler het instrument moet hanteeren.

Aan het museum is dan ook een atelier verbonden, waar een bekwaam werkman voortdurend bezig is met het onderhoud en de restauratie der instrumenten. Dat die persoon meer dan een gewoon werkman is en veelzijdige kennis der verschillende muziekinstrumenten bezit, daarvan kon ik mij overtuigen toen hij, mij in het museum rondleidende, mijne aandacht vestigde op menige bijzonderheid, die mij anders zou zijn ontsnapt. In dit atelier worden ook naar oude modellen nieuwe instrumenten gemaakt, hetzij ter vervanging van onbruikbaar geworden instrumenten, of ter completering van exemplaren, die het museum niet bezit. Alles is er dus op gericht om de verzameling zoo volledig mogelijk te doen zijn."

De collectie werd toen beheerd door de eerste conservator, Victor Charles Mahillon, de "bekwame werkman" was Franz de Vestibule (°Gent 13.04.1849 - +Schaarbeek 2.10.1920).

Dit getuigenis bewijst dat de uitdagingen voor een goed openbaar beheer van een collectie muziekinstrumenten in 125 jaar niet veranderd zijn. De manier waarop we die uitdagingen aangaan wel. Conserveren is de eerste opdracht, ontsluiting is de tweede. Het evenwicht tussen beide is broos; de ene opdracht lijkt de andere in de weg te staan. Kies je voor het instrument, dan kan je het beter in de best mogelijke omstandigheden opbergen in de kast van het depot. Kies je voor de bezoeker, dan stel je het instrument bloot aan de kijker en manipuleer je het object in die mate dat speelwijze, klank en context duidelijk worden. Elk museumbeleid is een zoektocht naar het opheffen van deze ogenschijnlijke tegenstelling. Een vorm van interventie, manipulatie of restauratie is bijna altijd nodig, maar hoe ver gaan wij daarin ?

De CIMCIM werkgroep (Comité international des Musées et Collections d'Instruments de Musique) binnen het ICOM (het Internationaal Comité voor de Musea van de UNESCO), heeft richtlijnen vastgelegd voor restauratie-interventies op wat zij noemen: "historic musical instruments retired from active service". Die richtlijnen zijn er gekomen vanuit een welbepaalde visie. Elk muziekinstrument is gebouwd om bespeeld te worden. Eens opgenomen in een openbare collectie wordt het een stil object. Maar tegelijk wordt het gevaloriseerd tot verzamelobject dat het collectieve geheugen instand houdt. De CIMCIM richtlijnen hebben vooral respect voor het object als getuige van een vroegere of andere cultuur, van een muziekpraktijk en van een bouwtraditie.

De CIMCIM richtlijnen helpen om keuzes te maken. In het mim kiezen we meestal voor een geringe interventie: wij bewaren elk historisch detail en respecteren het muzikale parcours van het instrument. Elke stap in de opeenvolgende verbouwingen heeft zijn belang. Veel hangt af van de functie die het instrument krijgt. Komt het terecht in de tentoonstellingszalen, dan moet de identiteit van het instrument duidelijk zijn, ook al betekent dit een verregaande manipulatie. Een Afrikaanse harp zonder hals en snaren is niet herkenbaar als harp, dus krijgt het instrument een nieuwe hals en snaren. Bij instrumenten in de reserves gaan wij enkel degradatie tegen. De instrumenten zijn onderzoeksobjecten en moeten zoveel mogelijk in oorspronkelijke staat blijven, vrij van interpretaties zoals nieuw aangebrachte onderdelen of drastische herstellingen.

Uitzonderlijk worden instrumenten toch bespeeld. Sinds enkele decennia is er een grote interesse voor historisch onderbouwde uitvoeringen van oude muziek. Muzikanten vinden het essentieel dat ook historische instrumenten weer tot leven gebracht worden. De klank die instrumenten voortbrengen is hun belangrijkste esthetische component, het is de reden waarom ze gemaakt zijn. Zoals Karel Moens aantoont in xxx, is het oproepen van een accuraat historisch klankbeeld met behulp van oude muziekinstrumenten echter vaak een illusie. Maar ook vanuit museaal standpunt is het bespelen van historische instrumenten niet vanzelfsprekend. Mahillon was in 1882 ongetwijfeld fier dat zijn instrumenten "geheel gereed staan om bespeeld te worden" (zie boven), maar bespelen leidt onvermijdelijk tot slijtage. Een instrument opnieuw bespeelbaar maken, houdt bovendien in dat oude onderdelen worden vervangen en dus een deel historische informatie onherroepelijk verloren gaat. Het spanningsveld tussen muzikanten en museummensen zorgt soms voor bittere gevechten en verwijten van gemiste kansen, maar het verplicht museummensen ook te blijven nadenken over de bestaansreden van een muziekinstrument als museumobject. De visie in het mim blijft die van de lange termijn. Hoe groot de verleiding ook is om nu te genieten van "oude" klanken, wij zijn verplicht om het erfgoed dat ons is toevertrouwd zo onbeschadigd mogelijk door te geven aan de generaties na ons. Het hoofdaccent ligt op conserveren, eerder dan op restaureren.

Zoals de meeste musea houdt het mim zich aan een viertal basisprincipes met betrekking tot conservatie en restauratie:

1.    De esthetische, historische en fysische integriteit van het object wordt gerespecteerd.

2.    De kwaliteit van de restauratie wordt niet bepaald door de zogenaamde waarde van het object. Elk object in onze verzameling krijgt een zorgzame behandeling.

3.    Indien de resultaten van gebruikte behandelingstechnieken niet ongedaan kunnen gemaakt worden, dan vermijden we zulke technieken. Manipulaties zijn in wezen altijd omkeerbaar. Nieuw aangebrachte elementen krijgen een stempeltje "mim".

4.    Elke behandeling gaat gepaard met een geschreven rapport met foto's waarin de staat van het object, de behandeling en de gebruikte materialen en technieken beschreven worden. Van instrumenten met grote documentaire waarde maakt de restaurator tijdens de interventie een gedetailleerde technische tekening.

Kopieën van instrumenten bieden vaak een uitstekend compromis tussen het optimaal bewaren van historische instrumenten en het laten horen van historische klanken. Het maken van een kopie vraagt een uiterst grondige studie van het oorspronkelijke instrument en biedt op die manier de mogelijkheid om een veel beter inzicht te krijgen in de oude bouw- en speeltechniek.

 

Aanbevolen lectuur

- Robert L. Barclay (uitg.), The Care of Historic Musical Instruments, Canadian Conservation Institute, Museums & Galleries Commission en CIMCIM, Edinburgh, 1997;

- http://www.music.ed.ac.uk/euchmi/cimcim/iwt1.html;

- Mia Awouters, "Conserveren en restaureren van muziekinstrumenten", Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, 2000/4, p. 10-11