PrintMail this page

épinette des Vosges

chordofoon

Naar alle waarschijnlijkheid werden de eerste hommels in de vroege zestiende eeuw gemaakt in Noord-Duitsland.  In de volgende decennia en eeuwen verspreidde de hommel zich over een groot deel van het Germaanse cultuurgebied en enkele aangrenzende streken. Zo kwam hij ook terecht in de Vogezen, het Franse gebergte langs de Rijn, die de huidige grens met Duitsland vormt. In de Vogezen werd het nieuwe instrument épinette genoemd, naar die andere épinette, in het Nederlands ‘spinet’, een klavierinstrument dat verwant is aan het klavecimbel, en dat eveneens behoort tot de grote familie van de getokkelde citers. Om de volkse épinette te onderscheiden van het burgerlijke klavierinstrument, ging men haar vanaf de late negentiende eeuw ook épinette des Vosges noemen.

Net als de andere hommels in Noordwest-Europa wordt de épinette doorgaans op een tafel gelegd en zittend bespeeld, waarbij de snaren in de traditionele speelwijze worden verkort met een stokje in de linkerhand en getokkeld met een plectrum in de rechterhand. Zoals elders speelde men in de Vogezen voor het eigen plezier, of om liedjes of dansen te begeleiden tijdens familiefeesten of samenkomsten van buren en vrienden, ’s avonds of op zondagnamiddag. ’s Zondags werden er ook wel religieuze gezangen op begeleid. Als instrument voor de huiskamer was de épinette het enige volksinstrument dat veel door meisjes en vrouwen werd bespeeld.

Er is geopperd dat de hommel meegebracht kan zijn naar de Vogezen door Zweedse of Duitse soldaten tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648 ), maar concrete aanwijzingen zijn daar niet voor. Dat de volkse épinette haar naam deelt met een klavierinstrument maakt het er de interpretatie van vroege schriftelijke bronnen niet makkelijker op. Wat er ook van zij, zeker is dat de épinette in de late achttiende eeuw helemaal ingeburgerd was in een deel van de Vogezen. De oudste met naam bekende speler en bouwer, Claude Joseph Vincent (‘le père Vincent’, Val-d’Ajol, 1753-1830) noemde de épinette ‘l’instrument de nos montagnes’. De streek van Val-d’Ajol zou het kerngebied van de hommeltraditie in de Vogezen blijven. Het blijft zeer de vraag waarom de hommel net in de Vogezen wortel heeft geschoten, en helemaal niet in de naburige Elzas of elders in Lotharingen. 

In de negentiende eeuw groeide de épinette uit tot het muzikale embleem van de Vogezen. Dat had alles te maken met de ontwikkeling van het kuurtoerisme in de streek. Een uitstap die de kuurgasten van Plombières-les-Bains niet mochten missen, was een ritje van vijf kilometer met de paardenkoets of op een met gebladerte overdekte ossenkar of naar het plateau des Charrières, hoog boven de vallei van de Combeauté, in de gemeente Val-d’Ajol. Daar had de dagloner en klompenmaker Jean-Baptiste Vançon in de jaren 1790 een feuillée gebouwd, een landelijke afspanning met panoramisch terras onder het lover van de bomen. De beau monde genoot er van de simpele geneugten van het landleven: een goed glas melk, huisgebakken roggebrood, kirsch, plattekaas en ander lokaal lekkers. Maar wat deze feuillée zo bijzonder maakte, was de mooie stem en het sprankelende hommelspel van Dorothée, een van de elf kinderen van Jean-Baptiste. Dorothée Vançon (1805-1878) kreeg veel hoog bezoek: van Marie-Thérèse, dochter van Lodewijk XVI, in 1828, tot keizer Napoleon III in 1856, 1858 en 1865, en de componist Hector Berlioz in 1856 en 1857. Veel bezoekers waren zo gecharmeerd door de épinette van Dorothée dat ze er graag zo eentje wilden meenemen als souvenir. 

Het succes van de épinette des Vosges was van dien aard dat verschillende handige boeren uit de buurt zich in de winter gingen toeleggen op de bouw van het instrument. Een van de meest productieve makers was Amant Constant – kortweg Amé – Lambert (1843-1908). In de wintermaanden maakte hij tot 150 instrumenten klaar voor verkoop tijdens het toeristische seizoen. In 1875 kocht hij de feuillée Dorothée, zoals hij de plek voortaan noemde, op lijfrente, en hij bouwde ze uit tot een toeristisch centrum met rustieke chalets en later ook een hotel. 

Dit exemplaar (inventarisnummer 3313) is karakteristiek voor de verfijnde productie van Amé Lambert in de jaren 1885-1895. Zijn épinettes zijn dan een 60-tal cm lang, hebben 17 frets voor een diatonische toonschaal (sol-la-si-do-re-mi-fa-sol-la-si-do-re-mi-fa-sol-la-si-do), twee gelijkgestemde melodiesnaren (sol), en drie begeleidingssnaren die een grote drieklank weergeven (van buiten naar binnen: do-mi-sol). De snaren worden gestemd met zijdelingse houten schroeven. Kenmerkend voor de vormgeving in deze periode zijn de elegante krul aan het schroevenstuk en de beide klankgaten in de vorm van een hartje en een klavertjevier. Op de rug is met een verhitte metalen stempel een driehoekig merk ingedrukt met de woorden A. LAMBERT  / FEUILLÉE / DOROTHEE / VALDAJOL VOSGES. Het bovenblad is beschilderd met een kleurige bloemenrank, en gesigneerd met de initialen A. B. Die verwijzen naar Albert Balandier (1872-1945), de kunstzinnige schoonzoon van Amé Lambert. In 1895 trouwde Albert Balandier met Amé’s dochter Gabrielle, en hij zou het épinettefabriekje van zijn schoonvader voortzetten tot in de Eerste Wereldoorlog. Alles wijst er dus op dat deze épinette gemaakt werd rond 1895.

Het instrument werd tussen 1914 en 1928 aan het museum geschonken door ene ‘Mme. J. Haps’. Wellicht gaat het om Marie Haps (1879-1939), née Marie Frauenberg, die getrouwd was met Joseph Haps, een Belgische financier. In 1919 stichtte Marie Haps in Brussel een hogeschool voor meisjes, die nog altijd bestaat en haar naam draagt.

(tekst: Wim Bosmans)

Media
Images: 
épinette des Vosges
Dorothée Vançon (coll. Christophe Toussaint, epinette.free.fr)
épinette des Vosges
épinette des Vosges
Feuillée Dorothée, 1883, A. Lambert, zijn vrouw Amélie en zijn dochter Gabrielle
Feuillée Dorothée, voor 1878 (coll. Christophe Toussaint, epinette.free.fr)
Een toeristisch beeld van de Vogezen, prentkaart verstuurd in 1959