PrintMail this page

hommel

chordofoon

Een hommel is een snaarinstrument dat bestaat uit een langwerpige klankkast waarover enkele metalen melodie- en begeleidingssnaren zijn gespannen. De melodiesnaren zijn gelijkgestemd en lopen over een reeks metalen frets. Volgens de traditionele speelwijze worden ze ingedrukt met een stokje en getokkeld met een plectrum, maar sinds de jaren 1970 wordt de hommel ook bespeeld met de vingers. De begeleidingssnaren worden los mee getokkeld, en ze brengen dan ook onveranderlijk hetzelfde akkoord of dezelfde bourdons voort.

Deze opvallend grote hommel is een kopie van een bijzonder instrument dat verloren ging tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het origineel werd bewaard in het stadsmuseum in het Vleeshuis van Ieper, waarvan de inboedel eind november 1914 volledig werd verwoest door Duitse brandbommen.

Het instrument werd in 1865 opgemerkt in het museum van Ieper door de Oudenaardse muziekhistoricus Edmond Vander Straeten (1826-1895). In 1868 wijdde hij er een kleine monografie aan: Le Noordsche Balk du musée communal d'Ypres. Deze brochure was de allereerste publicatie over de hommel in Vlaanderen. Vander Straeten, die blijkbaar nooit eerder een hommel had gezien, noemde het instrument een Noordsche Balk, wellicht in navolging van Noord-Nederlandse muziekhistorici als Klaas Douwes (1668-1722) en Jacob Wilhelm Lustig (1706-1796). In Vlaanderen is de benaming 'Noordse balk' alleszins nooit opgetekend uit de volksmond. Het instrument wordt er meestal 'epinet', 'pinet' of 'spinet' genoemd, of ook 'vlier', 'blokviool' en nog een dozijn andere lokale termen.

Het instrument werd geschonken aan het museum van Ieper door Ferdinand Van de Putte (1807-1882), pastoor van het naburige dorp Boezinge van 1843 tot 1858. Die wist aan Vander Straeten te vertellen dat het instrument vroeger in zijn kerk de gezangen begeleidde bij gebrek aan een orgel. Vander Straeten vermeldt dat het instrument volgens het etiket in het museum twee eeuwen oud was. Het zou dus dateren uit het midden van de 17de eeuw, en het was daarmee mogelijk de oudste bekende hommel uit de Zuidelijke Nederlanden.

Deze kopie werd gemaakt in opdracht van notaris César Snoeck (1834-1898) uit Ronse, een gepassioneerde verzamelaar van muziekinstrumenten, die naar eigen zeggen leed aan wat hij schertsend 'musicorganopathie' noemde. Snoeck was een goede vriend van Edmond Vander Straeten. Ongetwijfeld was het dankzij Vander Straeten dat hij het Ieperse instrument leerde kennen.  De kopie moet dus vervaardigd zijn tussen 1865 en 1898. Na het overlijden van César Snoeck geraakte diens collectie - toen de grootste particuliere verzameling van muziekinstrumenten ter wereld - verspreid over de instrumentenmusea van Berlijn, Sint-Petersburg en Brussel. Dankzij het mecenaat van de Brusselse ondernemer Louis Cavens kon het Brusselse museum in 1908 de deelverzameling van 471 instrumenten, accessoires en onderdelen uit de Lage Landen verwerven. Daaronder deze (inventarisnummer 2905) en nog twee andere hommels (inventarisnummers 2906 en 2907).

Volgens de catalogus van de verzameling Vlaamse en Nederlandse instrumenten van Snoeck, uitgegeven in Gent in 1903, is deze 'grand hommel' een 'copie exacte' van het oude instrument dat bewaard wordt in het gemeentemuseum van Ieper. Maar is deze kopie wel zo betrouwbaar ? In zijn monografie over de Ieperse hommel vergelijkt Edmond Vander Straeten hem met de beschrijving van de Noordsche Balken in het Grondig Ondersoek van de Toonen Der Musijk van Klaas Douwes. Vander Straeten ziet maar één punt van verschil: de Noordsche Balken van Douwes hebben drie of vier snaren, terwijl het Ieperse instrument er acht telt: drie melodie- en vijf begeleidingssnaren. Nu hebben de Noordsche Balken van Douwes, net als alle bekende Europese hommels uit de zeventiende en achttiende eeuw, een zuiver diatonische toonschaal (vergelijk met de witte toetsen van de piano), terwijl de kopie volledig chromatisch is (witte én zwarte toetsen). Als het oorspronkelijke instrument inderdaad een chromatische toonschaal had, dan zou Vander Straeten dat zeker opgemerkt hebben. Bovendien telt hij op het origineel 21 'touches' (frets), tegenover 29 op de kopie. Ook op de tekening die de monografie illustreert, zijn maar 21 frets te zien.

Deze tekening werd nog tijdens Vander Straetens bezoek aan Ieper gemaakt door een lokale artiest, een zekere Böhm. Vander Straeten noemt ze onberispelijk ('matériellement irréprochable'). Dat is wat overdreven. De afstanden tussen de frets zijn alvast niet realistisch weergegeven. Een instrument met een dergelijke fretsschaal zou onbespeelbaar zijn. Het valt ook op dat de frets op de tekening allemaal even breed zijn, terwijl de kopie zeven bredere frets heeft, die ook onder twee of meer begeleidingssnaren door lopen. Wat van beide - tekening of kopie - het beste overeenkomt met het originele instrument, blijft dus de vraag.

Volgens Edmond Vander Straeten werden hommels als deze bespeeld met twee vogelpennen, een om de snaren in te drukken, en een andere om ze aan te tokkelen. In Boezinge - zo vernam hij van kanunnik Van de Putte - deed een kraaienveer dienst deed als plectrum.

De Ieperse hommel heeft veel vormelijke kenmerken gemeen met andere bewaarde hommels uit de Lage Landen van voor 1900, zoals de schroevenkast met krul en zijdelingse stemschroeven, en het motief van de zesster in de vier klankgaten, hier uitgesneden in messingblik. Een vergelijkbare dubbele uitstulping van de klankkast rond twee klankgaten komt ook voor bij een andere grote, 134 cm lange, hommel die rond 1840-1850 werd geschonken aan het Musée des Beaux-Arts van Duinkerke. De (kopie van) de Ieperse hommel onderscheidt zich door zijn uitzonderlijke lengte van 151 cm. Hij is daarmee met voorsprong de grootste van Europa.

Media
Images: 
hommel
hommel
hommel