PrintMail this page

kwakkelbeen

aërofoon

Vogelvangers waren vroeger verbazend vindingrijk in het ontwerpen van allerlei fluitjes om vogels mee te lokken. Bijna elke vogel had zijn eigen fluitje. Zo ook de kwartel of kwakkel, zoals hij in de Vlaamse volksmond nog vaak wordt genoemd.

Kwartels worden gelokt met een kwakkelbeen of kwakkelbeentje, een fluitje dat wordt aangeblazen met een kleine blaasbalg. Dat is meestal een leren beursje dat met paardenhaar is gevuld. Het fluitje is gemaakt van een stuk hol been - bijvoorbeeld van de poot van een gans, een reiger of een schaap - of sinds de vorige eeuw ook wel een stukje buis in pvc of metaal. In dit pijpje is een venstertje uitgesneden, net zoals bij de blokfluit.

De vogelvanger houdt het beursje tegen zijn buik, losjes tussen zijn linkerduim en -wijsvinger. Met zijn rechterduim en -wijsvinger slaat hij zeer snel tweemaal achtereen op zijn linkerwijsvinger: kriepkriep kriepkriep kriepkriep. Zo zingt het wijfje, en zo lokt de vogelvanger het opgewonden mannetje naar zich toe, en zo het net in.

Kwakkelaars trekken er vooral op uit in de maand mei, meestal rond zonsopgang. In België worden kwartels alleen gevangen in het Vlaamse landsgedeelte, en nu vooral nog in het zuiden van West-Vlaanderen, rond de steden Roeselare, Tielt en Kortrijk. De vogeltjes worden er om hun gezang, of eerder slag (kwik-me-dit kwik-me-dit) gehouden in kooitjes die vaak buiten aan de gevel hangen.

Een quackel-beenken duikt voor het eerst op in 1599, in het allereerste verklarende woordenboek van het Nederlands, de Etymologicum Teutonicae Linguae van Cornelis Kiliaan. In de zeventiende eeuw werden kwakkelbeentjes nogal eens afgebeeld op jachtstillevens, vooral door Jan Fyt (1611-1661), of op allegorieën van het gehoor. In enkele erotische liederen uit die tijd en ook later nog krijgt het kwakkelbeen een voor de hand liggende fallische betekenis. De Nederlandse dichter Jacob ('Vader') Cats (1577-1660) gebruikt het beeld van het 'zoete geluid' van het kwakkelbeentje dan weer om te waarschuwen tegen gevlei: 'In schoone woorden leyt bedrogh'.

Eigenlijk is de kwartelvangst in België al illegaal sinds 1846, en sinds 1882 is het in principe zelfs verboden een kwakkelbeen te bezitten. Maar zeker in het zuiden van West-Vlaanderen is het vangen en houden van kwartels een taaie traditie gebleven tot in onze tijd.

Dit exemplaar werd in 1990 vervaardigd en aan het mim geschonken door André Populier (°1921) uit Ardooie. Het fluitje is gemaakt van de achterpoot van een schaap. Het beursje is van bruin imitatieleer, en gevuld met stukjes polyetherschuim.

Media
Images: 
kwakkelbeen 1991.031
Jan Fyt (arthermitage.org)
detail Jan Fyt (arthermitage.org)
André Popelier demonstreert een kwakkelbeen, Ardooie, 1990. Foto Wim Bosmans
Kwartelkooi ('mute') bij Fons Verschuere, Zwevegem, 1990. Foto Wim Bosmans