Print

Ondioline

elektrofoon

De ondioline is een monofoon, elektronisch muziekinstrument en wordt beschouwd als een van de voorlopers van de synthesizer. De Franse Georges Jenny (1900 -1976) is de uitvinder.

Jenny bouwde zijn eerste ondioline eind jaren 1930 – begin jaren 1940. Het exacte jaar valt moeilijk te achterhalen. Afhankelijk van de bron werd het eerste exemplaar in 1938 (tijdens een tbc-behandeling in een sanatorium) of in 1941 gebouwd. Net zoals bij veel andere elektronische instrumenten werd ook de ontwikkeling van de ondioline gedwarsboomd door de Tweede Wereldoorlog. Pas eind jaren 1940 brak de ondioline door en was het, tot in de jaren 1960, populair bij dansorkesten, in populaire en filmmuziek.          

 

 

De toenemende populariteit van het instrument had natuurlijk invloed op de vraag. Maar in tegenstelling tot bijvoorbeeld Constant Martin (de uitvinder van de clavioline) verleende Jenny geen licentie aan een bedrijf om zijn instrument op grotere schaal te produceren. Integendeel, tot aan zijn dood bouwde Jenny alle ondiolines zelf, hoofdzakelijk in zijn Parijs’ atelier: ‘Les Ondes Georges Jenny’, later bekend als ‘La Musique Électronique’ (afb. 2). Naast afgewerkte ondiolines was het ook mogelijk om zelfbouwpakketten te kopen.  
Jenny probeerde de prijs van een ondioline zoveel mogelijk te drukken ($ 400-500); het was trouwens de bedoeling om het instrument veel goedkoper aan te bieden dan de ondes martenot. Daarom gebruikte hij dikwijls minderwaardige onderdelen, met het gevolg dat veel ondiolines – bij gebrek aan onderhoud - na een paar jaar niet meer bespeelbaar waren.               
Het aantal verkochte ondiolines is niet gekend. Schattingen variëren van 600 tot meer dan 1000 exemplaren.

Het elektronisch circuit van de ondioline bestaat uit elektronenbuizen waarbij de toonopwekking niet gebeurt volgens het heterodyne principe (zoals bij de theremin en de ondes martenot), maar door een multivibrator (multi-vibrator oscillator).           

Onderaan bevindt zich een ingebouwde luidspreker.

 

 

Het klavier beslaat drie octaven, en met de draaiknop bereik je er zeven. Met de zwarte knop aan de achterkant en de vier knoppen naast de draaiknop kan je alle octaven stemmen.

   

Het bijzondere aan het klavier is enerzijds dat het rust op veren, waardoor je gemakkelijk vibrato kan spelen wanneer je de vinger zijdelings beweegt, en anderzijds dat de toetsen drukgevoelig zijn (pressure sensitive). Door harder op de toets te drukken, verhoog je het volume. Voor het klavier bevindt zich een goud-/bruinkleurige band, bedoeld om slagwerkeffecten na te bootsen (mits de juiste instelling van de filter-preselecties). Met de kniehendel linksonder het klavier regel je het volume.   
Het belangrijkste onderdeel van de ondioline is natuurlijk de filter bank. Door deze knoppen te combineren is het niet alleen mogelijk bestaande akoestische instrumenten na te bootsen, maar ook – en voor muzikanten en componisten veel interessanter – om nieuwe timbres te creëren. De letters A tot P staan voor de verschillende filters en golfvormen (o.a. envelope filter, band, low en high pass filters).  V1 en V2 bepalen het type vibrato, W bepaalt de snelheid er van. Uiterst rechts vind je de aan- en uitknop. 

Het mim heeft twee ondiolines. Het eerste exemplaar werd in 1996 gekocht van Pieter Bouckaert (nr. 1996.034), en wordt later gedateerd dan de andere ondioline van het mim. Het instrument was bespeelbaar bij aankoop, maar is dat nu niet meer. De tweede ondioline (2019.0047) werd in 2019 gekocht van Daniel Kitzig, en dateert van 1949-1950. Hij kocht het instrument van Morgan Fischer en restaureerde het volgens de regels van de kunst. De ondioline speelt en klinkt zoals het hoort. Geen van beide instrumenten heeft een etiket, enkel de vermeldingen ‘Georges Jenny’ en ‘Paris’ (1996.034), en ‘Brevet Georges Jenny’ en ‘Breveté S.G.D.G. Paris’ (2019.0047).

Dat de ondioline bekend in de oren klinkt, is niet vreemd aangezien de klank van de ondioline dicht kan aanleunen bij die van de clavioline en beide instrumenten relatief bekend waren in de populaire muziek. Het is niet toevallig dat er ook vandaag nog mensen beweren dat de melodie van Telstar (The Tornados) werd gespeeld op een ondioline, zelfs na getuigenissen van muzikanten zoals Peter Knight dat dit niet zo is.      
Net zoals de clavioline werd de ondioline oorspronkelijk bespeeld samen met de piano. Met de linkerhand speelde de muzikant de begeleiding op piano, met de rechterhand de melodie op de ondioline. Door gebruik te maken van de preselecties (afb. 9) was het mogelijk om traditionele, akoestische instrumenten zeer accuraat na te bootsen. Een mooi voorbeeld daarvan is het chanson L’âme des poètes van Charles Trenet (1951), tevens ook het oudste bekende voorbeeld van de ondioline in de populaire muziek.

 

L’âme des poètes betekende ook de doorbraak van de ondiolinist van dienst, Jean-Jacques Perrey (1929-2016; afb. 11). Rond zijn twintigste leerde hij de ondioline kennen via een radioprogramma waarin Georges Jenny het instrument demonstreerde. Na wat aandringen verkreeg hij van het radiostation het telefoonnummer van Jenny. Na een bezoek aan Jenny’s atelier, schonk Jenny hem een ondioline. Op zes maanden tijd maakte hij zich de speeltechniek (piano en ondioline) eigen en na een demonstratie bood Jenny hem een job aan als verkoper en demonstrator. De rest is geschiedenis: Perrey werd hét gezicht van de ondioline. En niet alleen van de ondioline, eind jaren 1960 was hij ook een van de eerste (en een van de weinige) muzikanten die een Moog synthesizer wist te hanteren.     
Het was toch nog meer dan tien jaar wachten voor de ondioline ook in de VS werd opgepikt. Kai Winding mocht met More in 1963 de eerste opname met de ondioline op zijn naam schrijven. Later volgde Al Kooper die regelmatig gebruik maakte van de ondioline in zijn werk met The Blues Project en Blood, Sweat & Tears. Ook Motown Records rekende op de klankkwaliteiten van de ondioline (bvb. Dream come True van The Temptations), in de eerste plaats niet omwille van hun geloof in de onuitputtelijke mogelijkheden van elektronische muziekinstrumenten, maar wel om financiële redenen: het instrument was goedkoper dan een strijkersensemble te moeten betalen.          
Net zoals de theremin, de clavioline en veel andere elektronische muziekinstrumenten was ook de ondioline een dankbaar instrument om ingezet te worden in de filmmuziek. In 1959 startte de filmcarrière van de ondioline met La Vache et le Prisonnier, met Perrey als ondiolinist. Daarna volgden nog veel films, waarvan Spartacus waarschijnlijk een van de bekendste is.

De ondioline werd niet uitsluitend in de populaire genres gebruikt. Ook in de ‘kunstmuziek’ – en daarmee knopen we aan bij een Belgisch verhaal – was het instrument geen onbekende. Naar aanleiding van de Wereldtentoonstelling in Brussel (1958) schreef Georges Jenny componisten aan om werken (voor ondioline) te schrijven, speciaal voor dit evenement. Dit resulteerde in een elpee die voor die gelegenheid werd uitgebracht, Masterworks from France – Program No. 428 [het was oorspronkelijk afkomstig van een Frans gesubsidieerd, maar Engels gesproken radioprogramma] – New French Instruments Presented at the Brussels Fair. De elpee bevat niet alleen werken voor ondioline, maar ook voor Cristel Baschet. Naargelang de bron is de muziek ‘quasi-classical’ of ‘avant garde’.   
Chants pour les Eternités Differentes (dat ook op die elpee staat) werd door de componist Darius Cittanova zelf boven op het atomium gespeeld.   

 Afbeeldingen

Afb. 1: Ondioline, Georges Jenny, Parijs, 1949-1950, nr. 2019.0047.        
Afb. 2: Georges Jenny (detail van de cover van L’ondioline, conception et réalisation d’un instrument de lutherie électronique, Editions Radio, Parijs, 1957.)           
Afb. 3 : 2019.0047 (detail) : draaiknop, stemknoppen en filter bank        
Afb. 4 : 2019.0047 (achterkant) 
Afb. 5 : Ondioline, Georges Jenny, Parijs, na 1950, nr. 1996.034.            
Afb. 6 : Jean-Jacques Perrey