PrintMail this page

ophicleïde

aërofoon

Op het tweede gezicht zijn er heel wat verbanden te vinden tussen de ietwat enigmatische ophicleïde en België. Het begon al bij de slag bij Waterloo in 1815. Na deze bloederige episode stapten de troepen onder leiding van hun geallieerde bevelhebbers trots door de straten van Parijs. De militaire muziekkapellen vormden de kop van de parade. Het oog van de Russische Groothertog Constantin viel op een muzikant in een Engels regiment, die indruk maakte met zijn virtuoze spel op de kleppenbugel. Deze klaroen met drie kleppen was in die tijd in zwang bij de Britten. De muzikant was John Distin, en de Groothertog vroeg hem of hij een kopie van zijn instrument kon bemachtigen. De Franse bouwer Jean-Hilaire Asté, ook gekend als Halary, werd aangezocht om een exemplaar te maken. Halary ging meteen aan de slag en verdiepte zich in de materie. In 1817 stelde hij een familie van 3 instrumenten voor die gebouwd waren volgens hezelfde principe en gaf hen onwaarschijnlijke namen: het sopraan instrument, dat de kleppenbugel verving, noemde hij "clavitube", het instrument in het middenregister, dus de alto, kreeg de naam "quinticlave", en het basinstrument was de "ophicleïde".  In 1821 vroeg Halary een officieel octrooi aan. Weldra zou "ophicleïde" de naam worden voor de 3 types instrumenten van deze familie.

Etymologisch gezien is "ophi-cleïde" een samengesteld woord uit het Griekse ophis, slang, en kleis, toets. Het gaat inderdaad om een serpent (de rechte versie, niet de s-vormige), voorzien van kleppen. De ophicleïde is daarmee een echte hybride: hij wordt bespeeld met een mondstuk zoals een serpent en is uit metaal vervaardigd, maar hij heeft ook kleppen (zoals houtblazers). Adolphe Sax - nog een Belgische link! - kwam op het idee van zijn nieuwe saxofoon toen hij naar manieren zocht om de basklarinet te verbeteren en daarbij elementen van de ophicleïde overnam. Kijk maar naar de gelijkenissen tussen de allereerste saxofoon, een bassaxofoon, in zijn octrooi van 1846, en de ophicleïde. Berlioz sprak in het begin zelfs over een "ophicleïde met (klarinet)mondstuk" toen hij het over de saxofoon had.

Vanuit organologisch gezichtspunt staat de ophicleïde in de evolutie tussen de serpent en de tuba. Eens de ophicleïde ventielen kreeg, werd hij een tuba. De verbeterde versie van Sax (hij weer!) werd de bassaxhoorn. Instrumenten met ventielen werden langsom populairder, maar toch bleef de ophicleïde tot het eind van de 19e eeuw in gebruik in heel wat orkesten en zelfs in de kerk. Berlioz had blijkbaar een haat-liefde verhouding met het instrument. Hij gebruikte het vaak, bijvoorbeeld in zijn 'Symphonie fantastique', en toch liet hij zich volgende denigrerende uitspraak ontvallen: "Die zogezegd snelle passages voor ophicleïde solo in het middenregister in al die moderne opera's, dat is toch te boertig voor woorden! Monsterlijk noem ik dat, en onmogelijk te laten samensmelten met de rest van het orkest. Als een losgebroken stier in de salon!" En dat uit de mond van Hector Berlioz...

Vandaag, in de 21e eeuw, vinden wij de ophicleïde weer terug in ensembles met aandacht voor de historische uitvoeringspraktijk. Het dient gezegd dat dit instrument een mooie, persoonlijke klankkleur kan voortbrengen, hoewel niet te vergelijken met de homogene kleur van de saxhoorns, en in staat is tot opvallend kwiek spel. Het vergt een goed muzikaal oor om er niet vals op te spelen, maar dat kan van veel instrumenten gezegd worden.

Een laatste Belgische link: in de albums 'L'étoile mystérieuse' en 'Vol 714 pour Sydney' laat Hergé kapitein Haddock "ophicleïdes!!" gebruiken als scheldwoord. De vertalers hebben het woord echter niet weerhouden in de Nederlandse versie (respectievelijk 'basbazuinen' - ook niet slecht - en 'voetzoeker').

Media
Images: 
bas-ophicleïde, Labbaye, Parijs, omstreeks 1845, mim inv. 1251
ventielophicléide, Bachmann & C. Mahillon, Brussel, omstreeks 1840, mim
F. Jeanningros, Ophicleïde speler, Parijs, 2e h. 19e eeuw, mim bibliotheek
Frans octrooi van 1846, Adolphe Sax, Archieven INPI, Parijs