Print

Orkesthoorn

aërofoon

Van oudsher wordt de hoorn geassocieerd met de jacht. Het instrument heeft een lange evolutie doorgemaakt en heeft zijn plaats gevonden in de instrumentale muziek. Oorspronkelijk gebruikte men eenvoudigweg hoorns van dieren, maar later werd hij in metaal vervaardigd. De typische ronde vorm is al in de 16e eeuw te zien.

In het algemeen wordt de hoorn gekenmerkt door een lange buis en een betrekkelijk smalle boring die uitmondt in een uitlopende beker. Men kan er slechts een beperkt aantal tonen op spelen, de zogenaamde natuurtonen. In het hoge register is het spelen van melodieën mogelijk omdat de natuurtonen daar dichter bij elkaar liggen.

Aan het eind van de 17e eeuw bestempelde een Engelse instrumentmaker de hoorn als 'Frans', om een reden die onduidelijk blijft, maar die erop wijst dat hij op de hoogte was van het gebruik ervan in Franse jachtkringen. De Engelsen noemen het instrument vandaag nog steeds 'French horn'.

In de eerste decennia van de 18e eeuw werden twee belangrijke verbeteringen aangebracht. De eerste was de toevoeging van vervangstukken: extra stukken buis van verschillende lengte die tussen het mondstuk en de hoorn zelf werden geplaatst, een systeem ontwikkeld door Michael Leichamschneider (1676-1748). Door een stuk buis te veranderen kon de hoornist in alle toonsoorten spelen, op voorwaarde dat hij de tijd kreeg om het stuk te vervangen natuurlijk.  

De tweede verbetering was de stoptechniek: de rechterhand werd in de hoorn geplaatst om zo de toonhoogte van de natuurtonen te veranderen. Anton Joseph Hampel (1710-1771) wordt beschouwd als de pionier van deze techniek, die het, vóór de uitvinding van de ventielen, mogelijk maakte het spel melodischer en chromatischer te maken en de klankkleur te wijzigen.

Een andere vernieuwing - te danken aan Johann Gottfried Haltenhof (ca. 1701-1783) - verscheen in het laatste kwart van de eeuw, met een stemschuif die bij midden van de luchtkolom werd geplaatst. Op de zogenaamde inventiehoorn konden de vervangstukken ook daar gestoken worden in plaats van bij het mondstuk.

De hoorn die we deze maand in de kijker zetten is van Belgische makelij en werd onlangs opgenomen in de permanente expo van het mim. Hij is van latere datum:  hij werd vervaardigd tussen 1813 en 1850. In die tijd verschenen de eerste hoorns met ventielen, een andere muzikale revolutie bij de koperblaasinstrumenten. Natuurhoorns en ventielhoorns hebben echter vele jaren naast elkaar bestaan, tot het begin van de 20e eeuw, zowel in orkesten als in onderwijsinstellingen. Deze hoorn is afkomstig uit de ateliers van Frans Jozef Van Engelen (1785-1853), stichter van een dynastie van muziekinstrumentenbouwers. De verschillende vervangstukken kunnen worden gebruikt in het orkest of in kamermuziekverband, in combinatie met de stoptechniek, en een schuif maakt een precieze stemming mogelijk. De houten kist dient om de hoorn te vervoeren en is voorzien van op maat gemaakte compartimenten voor een tiental vervangstukken en voor mondstukken.

Lier, in de provincie Antwerpen, was een van de belangrijkste centra in België voor de productie van koperblaasinstrumenten. Belgische hoornisten genoten in de 19e eeuw een stevige reputatie, vooral in Gent en Luik. Ze werden soms vernoemd als 'de Belgische hoornschool', naar het voorbeeld van de beroemde Belgische vioolschool. Vooral hun elegante en lyrische spel en hun feilloze techniek werd gewaardeerd. Het Gentse Conservatorium werd opgericht door een van de belangrijkste hoornisten van die tijd, Martin-Joseph Mengal (1784-1851) en eminente musici als Hubert Massart (1793-1858), Jean-Désiré Artot (1803-1887) en Henri-Louis Merck (1831-1900) verdienden hun sporen in binnen- en buitenland. De vele Belgische hoornspelers van de 20e eeuw en vandaag traden in hun voetsporen, zowel op de natuurhoorn als op de moderne versie met ventielen.

Bibliografie

Jeroen Billiet, Brave Belgians of the Belle Époque : A Study of the Late-Romantic Ghent Horn Playing Tradition, Gent, Universiteit Gent, 2021

John Humphries, French Horn, in Trevor Herbert, Arnold Myers, John Wallace (ed.), The Cambridge Encyclopedia of Brass Instruments, Cambridge University Press, 2019, p. 178-184

Jeroen Billiet, 200 Years of Belgian Horn School? A Comprehensive Study of the Horn in Belgium, 1789-1960, Tielt, Corecole Editions, 2008