PrintMail this page

oud

chordofoon

oud

De oud is een tokkelinstrument met een klankkast in de vorm van een halve peer opgebouwd rond een mal, en een korte geknikte hals. De snaren van darm worden aangetokkeld met een plectrum gemaakt van een stukje schildpadschild of van een veder van een arend. 

De oud speelt een zeer vooraanstaande rol in de Arabische muziek: men noemt hem de ‘sultan’ van de Arabische instrumenten. De naam ‘oud’ komt van het Arabische العود‎‎ ‘al-ʿūd , e’oud’ (‘twijg’, ‘stuk hout’). Doorheen zijn lange geschiedenis reisde het instrument van Oost naar West, vanuit Bagdad (7e eeuw), via Klein-Azië en het Arabisch schiereiland, naar Noordoost-Afrika en Andaloesië (9e eeuw). Hij is de directe voorloper van onze Westerse luit. Beide instrumenten lijken erg op elkaar, maar de oud heeft geen frets en zijn hals is smaller. 

De oud maakt deel uit van het klassieke Arabische orkest, maar speelt ook solo en in kleine ensembles. Hij is te horen in traditioneel en hedendaags repertoire, in ethno-jazz en mediterrane folk, world fusion, sufi, qawwali en new-age. Prominente oudvirtuozen zijn de volgende: Scharif Muhyi ad-Din Haydar Targan (1892-1967) was een Turkse musicoloog die de eerste opleiding oprichtte voor oudsolisten-concertisten (Bagdad Conservatorium, 1934). Een van zijn leerlingen was Munir Bashir (1930-1997) uit Irak, de 'Ravi Shankar van de oud', die talloze concerten gaf in het Westen. De virtuoos Riad Al Sunbati (1906-1981) uit Egypte was een van de belangrijkste componisten van Oum Kalthoum (1904?-1975). Saïd Chraïbi (1651-2016), Marokkaanse componist en beschouwd als één van de beste virtuozen ter wereld, zette zich in voor de technische vernieuwing van de Arabische oud. Hij bouwde sopranino-, sopraan- en basouds en vormde een oudkwartet: Oud al Hamra. De Irakees Nasser Shamma (°1963) heeft in navolging van Scharif Muhyi Haydar scholen opgericht voor oud in Cairo en Tunis. Hij was de leraar van de eerste vrouwelijke oudconcertist Youssra Dhabbi (°1966), de 'prinses van de oud'. Andere internationaal gekende oudspelers zijn Rabih Abou-Khalil (Libanon), Simon Shaneen (Palestina-Israël-V.S.), Anouar Brahem (Tunesië), Dhafer Youssef (Tunesië) en het trio Joubran (Palestina). In eigen land promoten een ensemble als Luthomania  het samenspel van oud, luit en Chinese pipa. Zie ook de blog van Azzouz el Houri.

Deze oud met inventarisnummer 0164 is het oudste bekende exemplaar dat bewaard is in Europa (zie ook de blog van Rachel Beckles Willson). Hij heeft zeven dubbele snaren, typisch voor de 19e-eeuwse oud uit Egypte. Het instrument kwam in 1839 vanuit Alexandrië terecht in Brussel dankzij de Belgische musicograaf en toenmalige directeur van het Brusselse Conservatoire Royal de Musique, François-Joseph Fétis (1784-1871). Met de hulp van de Belgische consul in Alexandrië, Étienne Zizinia, verwierf Fétis zestien Arabische instrumenten voor zijn persoonlijke verzameling, een aankoop waarvoor hij zich naar eigen zeggen grote financiële opofferingen moest troosten. Fétis vereffende de rekening overigens pas in 1846. 

Naast de oud bevatte Fétis’ collectie uit Alexandrië nog een qanun-citer, een kissar-lier, tanbur-luiten, een nay-fluit, een zamr-hobo, een arghul-klarinet en kemanche-vedels. Fétis poneerde dat hij zo ‘de volledigste collectie van dergelijke instrumenten in heel Europa’ bij elkaar had gebracht. Dit is niet correct: een kleine 40 jaar voordien had Guillaume-André Villoteau (1759-1839), wetenschappelijk lid van Napoleons expeditie in Egypte in 1798-1803, een gelijkaardige collectie meegebracht naar Parijs, met instrumenten representatief voor de verschillende gemeenschappen die toen in de grote Egyptische steden samenleefden (Arabieren, Nubiërs, Kopten, Ethiopiërs, Perzen). Deze collectie telde minstens 22 instrumenten. Fétis kende Villoteau persoonlijk. Er is correspondentie bewaard tussen beide heren. Fétis was goed op de hoogte van Villoteau’s werk en liet zich ongetwijfeld inspireren door diens collectie voor de samenstelling van zijn eigen Egyptische verzameling. 

In de jaren 1830 groeide bij Fétis de ambitie om een zo volledig mogelijke Histoire de la musique te schrijven, met niet enkel een overzicht van de muziek uit het Westen, maar uit de hele wereld. Want, zo begint hij zijn Histoire, ‘de geschiedenis van de muziek is onlosmakelijk verbonden met een waardebepaling van de specifieke bekwaamheden van de rassen die haar hebben ontwikkeld.’ Net zoals taal, had elk ras zijn eigen muziek. Hoewel hij geprezen werd voor zijn ‘uitzonderlijke ontvankelijkheid’ voor andere culturen en beschouwd wordt als ‘de eerste ethnomusicoloog’ en als ‘de eerste comparatieve musicoloog’, is zijn discours er vooral een van sterk doorgedreven catalogisering, stereotypering, eurocentrisme en paternalisme, typisch voor de 19e eeuw. Immers, de ‘triste vérité’, zegt hij, is dat in de wereld deze ‘menselijke bekwaamheden ongelijk verdeeld zijn over de volkeren’. Bij zijn studie van muziekculturen doorstond geen enkele cultuur ongeschonden de vergelijking met de westerse: ‘Laten we toch ergens toegeven – met behoud van de superioriteit van ons ras natuurlijk – dat er nog altijd volkeren zijn die grondig van ons verschillen, maar dat dit hen niet verhindert toch ook te kunnen genieten van muziek. Dat onze kunst de meeste verhevene is, dat ze zelfs de enige echte kunst is, dat lijdt geen twijfel. Maar het is toch interessant om de primitieve vormen van die kunst te kennen’.  

Fétis geeft een zeer uitgebreide theoretische beschrijving van de Arabische muziek en muziekinstrumenten. Hij poneert dat de toonstelsels van de Arabische volkeren ‘incompatible’  zijn met ons muzikale gevoel, voornamelijk omdat elke toon onderverdeeld is in drie derde tonen en niet in twee halve tonen zoals in onze toonladders. Zijn onderzoek van het Arabische toonstelsel is gebaseerd op een hele rits Arabische traktaten in vertaling, op het werk van Villoteau en op onderzoek van de stemming en de tessituur van de instrumenten zelf uit zijn collectie, maar nooit op de hoorbare muziek zelf. Het valt sterk te betwijfelen of Fétis veel Arabische muziek heeft gehoord. Hij heeft nooit een Arabisch land bezocht – hij zette waarschijnlijk nooit voet buiten Europa – en de eerste uitvoering van Arabische muziek in Europa was vermoedelijk pas te horen in 1867 op de Exposition universelle in Parijs, tijdens een concert van vijf muzikanten in het ‘Café Tunisien’. De oud speelde de melodie  in unisono met de rebab, en begeleid door een tamboerijn en een darabouka. Fétis was aanwezig tijdens deze uitvoering en noteert achteraf: ‘Ik heb de muzikanten van Tunis gehoord, en ik heb vastgesteld dat hun muziek vals was en hun liederen monotoon’.

Na de dood van Fétis in 1871 verkochten zijn zonen Édouard en Adolphe al zijn muziekinstrumenten aan de Belgische Staat. Ze werden in 1873 ondergebracht in de bibliotheek van het Conservatoire Royal. Het fonds-Fétis, samen een kleine honderd stukken, maakte bij de opening van het Musée instrumental in 1877 bijna de helft uit van de collectie. 

(Tekst: Saskia Willaert, met dank aan Abid Bahri en Leonard Cools)

(Muziek : Egyptische muziek in restaurant Le Palais de la Médina, Fès (Marokko), 10.04.2009.
Khalid Lyazghi (oud), Said Benchkroune (viool), Adblmalk Filali (tar-tamboerijn), Ahmed Slal (darabouka). Opname: Wim Bosmans)

Media
Images: 
oud
oud
oud
François-Joseph Fétis, 1860 ? Foto : Ghémar Frères.
Uit François-Joseph Fétis, Histoire de la musique, Brussel, 1869, vol. 2
Uit François-Joseph Fétis, Histoire de la musique, Brussel, 1869, vol. 2
Uit François-Joseph Fétis, Histoire de la musique, Brussel, 1869, vol. 2
Uit V.-C. Mahillon, Album des instruments extra-européens du Musée … Bruxelles
Cairo 2016: Beit al Ud, de school van Nasser Shamma. Copyright: Leonard Cools
Cairo 2016: Beit al Ud, de school van Nasser Shamma. Copyright: Leonard Cools
External Video
See video
Disclaimer: 
Ashraf Awad, Leraar oud aan Beit al Ud school, Cairo 2016. Gefilmd door Leonard Cools, april 2016. "Het is deel van de filosofie van Beit al Ud dat er in de lessen amper gesproken wordt, ook niet door de leraar. Een les vindt altijd plaats tussen één leerling (hoewel er soms anderen toekijken) en één leraar. Alles gebeurt door te kijken, te luisteren, na te spelen, je eigen fouten te leren horen. Om dezelfde reden wordt er ook weinig met partituren gewerkt in de praktijkles. Veel leerlingen filmen daarom de leraar tijdens de les om thuis verder te kunnen werken. Dit filmpje van Ashraf tonen zulke oefeningen. Pas als de leerling de oefening of het stuk volledig kan spelen, wordt er soms een partituur bijgehaald om te kijken wat je nu exact hebt geleerd, hoe de muziek in mekaar zit." (Leonard Cools, oktober 2016)