PrintMail this page

Quinton met resonantiesnaren

chordofoon

Bij de instrumenten uit de collectie van vioolbouwer Auguste Tolbecque die het toenmalige Instrumentenmuseum in 1879 overkocht, zat een violon d'amour. Althans, zo benoemde de eerste conservator Victor Charles Mahillon het gemakshalve in de catalogus uit 1880. Het betreft inderdaad een viool met vijf melodiesnaren en zes resonantiesnaren, dit zijn kenmerken van de violon d'amour. Toch is deze benaming niet helemaal correct en het lijkt erop dat Mahillon dat ook had begrepen. De stemming die hij voor dit instrument opgeeft is immers die van een quinton: GDAdg. Om te begrijpen wat er aan de hand is moeten we anderhalve eeuw teruggaan in de tijd.

Op het einde van de 17de eeuw werd de pardessus als kleinste telg van de gambafamilie ontwikkeld om solomuziek uit te voeren binnen het bereik van de viool. Begin 18de eeuw werd deze muziek alsmaar populairder, ook in adellijke kringen. Het behoud van de gambavorm, het gebruik van frets en de verticale speelhouding maakten het aanvaardbaar voor heren en vooral dames van de hogere stand, die de viool nog steeds beneden hun waardigheid vonden.

Omstreeks 1730 ontstond in Frankrijk een variant op deze pardessus de viole, met slechts vijf snaren, waarvan de drie laagste nu als een viool gestemd werden en de twee hoogste een kwart interval behielden. De benaming quinton, die eerder voor de vioolvormige variant gebruikt wordt, duidt op het hybride karakter van deze instrumentjes, die volledig inwisselbaar zijn wat betreft sociale context, speelwijze en repertoire. Zowel deze pardessus à cinq cordes als de vioolvormige quinton werden immers verticaal bespeeld, hadden vijf snaren en werden gedeeltelijk in kwinten gestemd.

Om in deze houding het spel van de linkerhand te bevorderen, gelet op het aantal snaren en de toen gebruikelijke technieken, moest de toets breed genoeg zijn en mocht de hals niet te dik en te zeer afgerond zijn. Het instrument van Salomon beantwoordt nu net aan deze vereisten. Bovendien lopen de schouders uit in de bredere hals, zoals bij de andere instrumenten van de gambafamilie. De toets is gefineerd met ebben en voorzien van frets. Al deze elementen wijzen in de richting van de quinton. De vioolhouding op de schouder is voor de linkerhand op zijn minst onpraktisch te noemen, het is dus geen viool.

Van Jean Baptiste Dehaye, genaamd 'Salomon' (1713-1767), de bouwer van dit instrument, is nog minstens één gewone quinton uit 1744 bewaard (Stadtmuseum München). Quintons waren trouwens niet uitzonderlijk in de 18de eeuw en er zijn er meerdere bewaard. Daarentegen zijn er maar enkele quintons met resonantiesnaren overgebleven, onder meer één van Mathurin François Remy uit 1755 en één van Jean Colin van omstreeks 1750. Beide bevinden zich in het Metropolitan Museum te New York (inv. 2006.505 en 1990.98). De term quinton d'amour is trouwens wel geschikt om deze variant te benoemen, en te onderscheiden van de echte violon d'amour.

Een goed voorbeeld ter vergelijking met een violon d'amour wordt bewaard in het Musée de la musique in Parijs. Het instrument met inventarisnummer E.979.2.52 is opmerkelijk goed bewaard en werd gemaakt door tijd- en stadsgenoot van Salomon, Jean Nicolas Lambert (1731-1759). Het lijkt haast een echte viool, met vier melodiesnaren, een smalle, afgeronde hals, ronde schouders en een vioolstaartstuk. Het enige verschil met een gewone viool is de lange schroevenkast met 12 resonantiesnaren, voor elke halve toon één.

Uiteraard zijn er meer gelijkenissen tussen quinton d'amour en violon d'amour dan de resonantiesnaren. Ook de quinton van Salomon bevat typische elementen van een viool, zoals lijmreepjes, hoekblokjes, f-gaten, uitstekende randen en gewelfde bladen. Er zijn evenwel 5 melodiesnaren en 6 resonantiesnaren. Deze zijn onderaan de klankkast bevestigd op een ivoren plaatje met zeven pinnetjes en drie gaten. Er is dus geen staartstuk. De schroevenkast, getooid met een gewone vioolkrul en met gestileerde  bloemmotieven, is vooraan open en achteraan slechts gesloten voor de eerste vier stemsleutels. De stemschroeven voor de resonantiesnaren zijn kleiner en staan dichter bij elkaar.

Auteur: Wim Raymaekers

Bibliografie

Victor-Charles Mahillon, Catalogue descriptif et analytique du Musée Instrumental du Conservatoire Royal de Musique de Bruxelles, dl. 1, Gent, 2/1893, p. 466 ; dl. 3, Gent, 1900, p. 26.

G. Thibault, Jean Jenkins and Josiane Bran-Ricci, Eighteenth Century Musical Instruments: France and Britain. Les instruments de musique au XVIIIe siècle: France et Grande Bretagne, London (Victoria and Albert Museum) 1973, p. 48.

Sylvette Milliot, Histoire de la lutherie parisienne du XVIIIe siècle à 1960: tome II: les luthiers du XVIIIe siècle. History of Parisian Violin Making from the XVIIIth Century to 1960: Tome II: The Violin Makers of the XVIIIth Century, Spa, 1997, p. 65-70, 152, 223, 225.

Myrna Herzog, Is the Quinton a Viol? A Puzzle unraveled, in Early Music, 28 (2000), p. 8-31.

Thomas G. MacCracken, Small French Viols, Journal of the Viola da Gamba Society of America, 50 (2017-2018), p. 49-71.

Media
Images: 
Quinton met resonantiesnaren, Jean-Baptiste Salomon, Parijs, ca 1750
Quinton met resonantiesnaren, Jean-Baptiste Salomon, Parijs, ca 1750