PrintMail this page

Shakuhachi

aërofoon

shakuhachi

De shakuhachi is een Japanse kerffluit met vijf vingergaten, waarvan een duimgat. Ze is verwant met andere fluiten uit het Verre Oosten, zoals de Chinese  xiao en dongxiao en de Koreaanse danso en tungso. Bij deze rechte fluiten blaast de speler rechtstreeks tegen de scherpe rand van een kerf in de kop van de fluit, en dus niet via een luchtkanaal binnenin de buis, zoals bij een blokfluit.

'Shakuhachi' ( 尺八 ) betekent '1 (Japanse) voet 8 duim' of 54.5 cm. Dat is de lengte van een standaard- shakuhachi in re. Bij uitbreiding is het de benaming geworden van alle fluiten van hetzelfde type, ongeacht hun lengte, die van 1,1 tot meer dan 3 voet kan gaan. De dongxiao, een zeer gelijkende fluit met een extra vingergat uit de Chinese provincie Fujian,  wordt ook chiba ( 尺八 ) genoemd, wat eveneens '1 voet 8 duim' betekent.

De shakuhachi wordt traditioneel gemaakt van een stuk madake-bamboe (Phyllostachys bambusoïdes) met zeven knopen dat net boven de wortel is afgesneden. Aan de kant van de wortel worden vier knopen bewaard die vlak boven elkaar liggen. In de zevende knoop, helemaal bovenaan, wordt de kerf gesneden. Het afsnijden boven de wortel, de knopen, de natuurlijke onregelmatigheden en de kleurvlekken in de bamboe maken deel uit van de esthetiek van het instrument. Of de buis binnenin gelakt wordt of niet hangt af van de bouwschool. Tegenwoordig zijn er ook gedraaide houten en kunststoffen shakuhachi's, maar dat zijn vooral instrumenten voor beginners.

Door de vijf vingergaten een na een te openen krijg je de pentatonische toonreeks re-fa-sol-la-do-re. Die heeft geen halve tonen, terwijl die wel veel voorkomen in de Japanse muziek. Een volledig chromatische toonreeks, dus met alle twaalf de halve tonen, kun je wel vormen met andere vingerzettingen, en door de hoek te wijzigen van waaruit je blaast. Dan hebben de noten wel geen uniforme klankkleur. Maar wat in de westerse muziek als een tekortkoming wordt beschouwd, maakt juist de rijkdom uit van de shakuchachimuziek. Die steunt voor een stuk op deze veelheid aan klankkleuren. Een shakuhachispeler zoekt ook klanken op die in het Westen als onmuzikale of parasietgeluiden worden ervaren, met allerlei onzuiverheden, ademgeruis en hoorbare vingeraanslagen. Deze hang naar onzuivere klanken kenmerkt ook  andere Japanse instrumenten.

De shakuhachi werd voor het eerst ingevoerd in Japan vanuit China in de vroege achtste eeuw, samen met de andere instrumenten van het gagaku-hoforkest.  Het instrument raakte na een tijd in onbruik, maar enkele eeuwen later dook het opnieuw op in de Japanse bronnen.

In zijn huidig voorkomen lijkt de shakuhachi zeer sterk op het instrument dat vanaf de zeventiende eeuw werd bespeeld door de rondtrekkende komuso-bedelmonniken.  Deze zenmonniken van de Fukeschool bespeelden de shakuhachi als hulp bij meditatie. Het repertoire van de komuso-monniken werd opgetekend en gepubliceerd in de achttiende eeuw. De stukken die toen vastgelegd werden, staan bekend als de honkyoku. Zij vormen het basisrepertoire van de Kinkoschool. De notatie geeft geen noten op zich weer, maar verwijst naar vingerzettingen voor noten met hun klankkleur.  Ook het ritme en de versieringen worden visueel gesuggereerd.  

In 1871, bij het begin van de Meijiperiode, wordt de Fukeschool opgeheven, en het shakuhachirepertoire wordt geseculariseerd. Naast de traditionele honkyoku spelen de muzikanten nu ook minyo (volksliederen) en kamermuziek. In het traditionele trio met koto (citer) en  shamisen (luit) neemt de shakuhachi geleidelijk aan de plaats in van de kokyu (vedel).

Naast de Kinkoschool wordt in het begin van de twintigste eeuw de Tozanschool opgericht. Die creëert een nieuw repertoire en ontwikkelt een nieuw type van notatie dat het ritme precies aangeeft.

Westerse muzikanten ontdekken nu ook de shakuhachi, gaan een volledige, traditionele opleiding volgen in Japan, en brengen hun kunst op hun beurt over in het buitenland. Shakuhachispelers blijven nieuwe stukken schrijven. Hedendaagse toondichters als Toru Takemitsu, Akira Tamba en de Belg Claude Ledoux hebben gecomponeerd voor shakuhachi en westers orkest of andere Japanse instrumenten.

De shakuhachi van het Mim (inv. 0714) is gemaakt van een stuk madake. De onderste knopen zijn vlak gepolijst. Binnenin is het instrument rood gelakt. De met hoorn versterkte kop is van het kinko-type. Het instrument heeft een merkteken van de bouwer.

Deze fluit maakt deel van een geheel van twaalf prachtige Japanse instrumenten die in 1884 aan het Instrumentenmuseum werden geschonken door het Muziekinstituut van Tokyo, nadat ze eerst tentoongesteld waren op de International Health Exhibition  in Londen.

Claire Chantrenne

 

Media
Images: 
shakuhachi
shakuhachi mondstuk
shakuhachi vingergat en merkteken van de bouwer
shakuhachi achterkant
San’An, traditionele melodie, versie uit de streek van Niigata