PrintMail this page

tromba marina

chordofoon

De tromba marina is een meestal eensnarig strijkinstrument dat hoofdzakelijk van de 15de tot het midden van de 18de eeuw werd bespeeld in Europa, en vooral in Duitsland en Frankrijk.  In die tijd werd het  instrument vaak afgebeeld in de handen van musicerende engelen of in voorstellingen van dodendansen. Iconografische bronnen vertellen veel over de geschiedenis en de bouwevolutie van dit intrigerende instrument, waarvan de naam alleen al op heel uiteenlopende manieren is uitgelegd. Wellicht de meest aannemelijke verklaring luidt dat 'tromba' verwijst naar de aparte klank, die doet denken aan een koperen blaasinstrument. 'Marina' zou dan verband houden met de maagd Maria, aangezien de tromba marina veel werd bespeeld in kerken en kloosters. Maar het instrument kwam ook voor in heel andere omgevingen, zoals de opera en de hofmuziek. Er zijn zowat driehonderd werken voor tromba marina bekend. De  meeste werden gecomponeerd tussen de late 17de eeuw en het midden van de 18de eeuw.

Een bijzonderheid van de tromba marina is de beweegbare kam, waarbij de snaar over een van de beide voetjes loopt, dat zo wordt zo vastgeklemd tegen de klankkast. Aan zijn andere kant rust de kam los op de klankkast, en gaat hij erop trommelen als de snaar wordt aangestreken. Om de trillingen te regelen en om te vermijden dat de kam zich gaat verplaatsen, hebben sommige tromba marina's een treksnoer dat onder de kam is bevestigd aan de speelsnaar. De spanning van dit snoer kan geregeld worden met een schroef. Het is deze bijzondere kam die de tromba marina haar trompetachtige klankkleur bezorgt. Zo'n losse kam komt ook voor op de meeste West-Europese draailieren; de snaar die erover loopt, wordt veelzeggend een trompetsnaar genoemd.  

De tromba marina heeft buiten haar klankkleur nog meer gemeen met koperen blaasinstrumenten. Net zoals bij de ventielloze natuurtrompetten en -hoorns worden op  de tromba marina alleen harmonischen of natuurtonen gespeeld. Die worden gevormd door met de vingers van de linkerhand, en vooral de duim, de snaar lichtjes te raken op welbepaalde punten, die worden aangegeven op de hals.  Zo komt het dat je op de tromba marina niet alleen een bourdon maar ook een melodie kan spelen.

De klank kan ook in belangrijke mate bepaald worden door meetrillende snaren die binnenin de klankkast lopen. Niet alleen versterken ze de klank, maar ze houden hem ook langer vast. Hun aantal is erg variabel, en vaak ontbreken ze zelfs. Tromba marina's komt voor in verschillende vormen, met heel aparte bouwkenmerken. Zo zijn er zowel kleine tromba marina's van minder dan een meter, als grote van soms meer dan twee meter. Ook de vorm van de klankkast en de decoratie - van rudimentair tot heel overvloedig - kunnen sterk verschillen.

De tromba marina in het mim is 202 cm lang. Binnenin de klankkast draagt ze onderaan de handgeschreven inscriptie F. Houyet me fit à Namur en 1680 ('F. Houyet maakte me in Namen in 1680). De klankkast heeft een zeshoekige vorm en is onderaan open. Acht merktekens op de hals geven aan waar de snaar geraakt moet worden om de harmonischen te vormen. Het instrument heeft toebehoord aan François-Joseph Fétis (1784-1871). Na zijn dood werd het door zijn zonen Édouard en Adolphe overgedragen aan het Brusselse conservatorium, waarna het in 1877 werd opgenomen in het Instrumentenmuseum, samen met de rest van collectie-Fétis.

Media
Images: 
tromba marina
tromba marina
Hans Holbein, Dodendans (1525)