Print

Vedel

chordofoon

(Vedel, Auguste Tolbecque, Niort, 1891, inv. 1331)

De viool met inventarisnummer 1331 werd in 1891 gebouwd door Auguste Tolbecque (1830-1919), een Franse vioolbouwer van Belgische afkomst die in Niort woonde

(Auguste Tolbecque door Eugène Pirou, Paris, Bibliothèque nationale de France)

Tolbecque begon zijn carrière als cellist in Marseille en Parijs. Nadat hij vioolbouw had gestudeerd bij Victor Rambaux (1806-1871), vestigde hij zich in Niort, waar hij zich toelegde op de restauratie van oude instrumenten en het kopiëren van middeleeuwse instrumenten. Hij verzamelde ook een indrukwekkende collectie van muziekinstrumenten. In 1879 werd deze collectie door de Belgische regering aangekocht voor het Instrumentenmuseum van het Conservatorium, nu het Muziekinstrumentenmuseum. Tolbecque bleef instrumenten verzamelen en bouwen, waaronder de vedel inv. 1331, die dateert van 1891.

(Andrea di Bonaiuoto, La Via veritatis, Chiesa militante e trionfante, fresco, Firenze, Santa Maria Novella, Cappellone degli Spagnoli, 1365)

In zijn catalogus (Catalogue descriptif et analytique du Musée Instrumental (historique et technique) du Conservatoire Royal de Musique de Bruxelles, iii, Gent, 1900, p. 14), geeft Victor-Charles Mahillon aan dat dit instrument gebaseerd is op een schilderij van Cimabue, maar dit is duidelijk een vergissing. Zoals Tolbecque zelf aangeeft (L'art du luthier, Niort, L'Auteur, 1903, p. 8), is de inspiratiebron voor dit instrument een fresco van Andrea di Bonaiuto dat zich bevindt in Cappellone degli Spagnoli in de Basiliek van Santa Maria Novella in Florence (foto hierboven): La Via veritatis (1365-1367). Rechts op dit fresco zijn twee muzikanten te zien, de een speelt doedelzak, de ander vedel, precies het instrument van het MIM.

Tolbecque was een pionier in de studie van middeleeuwse vedels. Zijn onderzoek was er niet alleen op gericht de instrumenten van het verleden te begrijpen, maar ook om ze opnieuw te laten klinken. Tolbecque zelf speelde regelmatig viola da gamba tijdens de historische concerten van het Brusselse Conservatorium. Het is niet verwonderlijk dat zijn vedel de invloed van de vioolbouw verraadt. Het instrument is gebouwd rond een mal, een techniek die in de Middeleeuwen voor de bouw van snaarinstrumenten in Europa onbekend was. Het heeft de afmetingen van een grote altviool, met een hals die naar achteren is gekanteld, volgens een norm die werd toegepast op strijkinstrumenten uit de tweede helft van de 18e eeuw. Ook het esdoorn dat voor de klankkast is gebruikt, is typisch voor de vioolbouw in de barokperiode, dat was in de Middeleeuwen niet gebruikelijk.

Een kopie van hetzelfde instrument wordt bewaard in het Musée de la Musique in Parijs (inv. nr. E.0653).

Bibliografie:

Ignace Dekeyser, De geschiedenis van de Brusselse muziekinstrumentenbouwers Mahillon en de rol van Victor-Charles Mahillon in het ontwikkelen van het historisch en organologisch discours omtrent het muziekinstrument, Ph.D. Universiteit Gent, 1995-1996

Florence Gétreau en Alban Framboisier, art. Auguste Tolbecquee et Eugène de Bricqueville : deux organographes collectionneurs d’instruments anciens, in Collectionner la musique: Erudits collectionneurs, Turnhout, Brepols, p. 423-451.

John B. Rutledge, art. Late 19th-Century Viol Revivals, in Early Music 19/3 (1991), p. 409-418.