Print

Volkstrautonium

elektrofoon

Het Trautonium

Het trautonium is een monofoon elektronisch instrument, uitgevonden door Friedrich Trautwein (1888-1956) en aan de wereld voorgesteld op 20 juni 1930 tijdens het muziekfestival Neue Musik Berlin 1930. Paul Hindemith (1895-1963) was Trautwein en zijn nieuwe uitvinding genegen en componeerde voor die première Des kleinen Elektromusikers Lieblinge, voor drie trautoniums.  
Van doorslaggevend belang voor de verdere ontwikkelingen van het trautonium was Trautweins samenwerking met ingenieur - en student van Hindemith - Oskar Sala (1910-2002). Zelfs in die mate dat Peter Donhauser, die het standaardwerk schreef over elektronische instrumenten tijdens het interbellum in Duitsland en Oostenrijk, stelde dat "... het latere succes van het trautonium uitsluitend terug te voeren is op Sala's manische ontwikkelingsactiviteit".

De experimenten van Trautwein kwamen niet uit de lucht gevallen. Eind jaren 1920 - begin jaren 1930 schoten de uitvindingen en dito patenten als paddenstoelen uit de grond. Meer en meer uitvinders (dikwijls ingenieurs met een muzikale opvoeding) waagden zich op dit nieuwe pad in de muziek, en allemaal met hetzelfde doel: nieuwe klanken creëren.

In 1927 vestigde Leon Theremin zich in de VSA en bleef zijn theremin optimaliseren. Vanaf 1929 produceerde de Radio Corporation of America (RCA) het instrument op 'grote schaal' en was de theremin, als eerste elektronisch instrument, beschikbaar voor de consument. In Rusland zagen het radio-harmonium van Sergei Rzhevkin en de sonar van Nikolai Ananiev, respectievelijk in 1925 en 1933 het licht. De Oostenrijker Emmerich Spielmann en het duo Wilhelm Lenk en Rudolf Stelzhammer leverden respectievelijk de Superpiano (1927) en de Magneton (1930) af. Met onder andere de ondes martenot (Maurice Martenot, 1928) en het Coupleux-Givelet Organ (Armand Givelet en Edouard Coupleux, 1930) bleef ook Frankrijk niet achter.

Maar Duitsland spande de kroon. Jörg Mager (1880-1939) was vooral in de jaren 1920 actief met patenten voor de Elektrophon (1921), de Sphärophon (1924), de Kurbelsphärophon (1926), de Klaviatursphärophon (1928) en de Partiturophon (1930). Zijn ster taande echter snel en nieuwe figuren namen de fakkel over: Trautwein en Sala, Bruno Helberger en Peter Lertes met hun Hellertion en de Heliophone (1929), Oskar Vierling en zijn Großtonorgel en de Electrochorde (1933), en de Neo-Bechstein (1931) van Walter Nernst. Beide laatste instrumenten startten echter niet van een elektronisch opgewekte klank, maar wijzigden en versterkten een akoestisch toon.

Die grote productiviteit had voor een groot stuk te maken met het institutionaliseren van onderzoekscentra tijdens de Weimar Republiek (1918-1933). In het Heinrich Hertz Institut für Schwingungsforschung (opgericht in 1928 als deel van de Technischen Hochschule Berlin) en de Rundfunkversuchstelle (opgericht in 1928, als deel van de Hochschüle für Musik Berlin) konden veel uitvinders (ingenieurs) hun instrumenten in wetenschappelijke centra op punt stellen en was er direct contact met componisten en muzikanten.

Friedrich Trautwein en het Trautonium

Trautwein was tewerkgesteld aan het Rundfunkversuchstelle en ontwikkelde er zijn trautonium. Qua opzet was het een relatief eenvoudig instrument: het prototype bestond uit een over een metalen plaat gespannen metalen snaar, een console en een volumepedaal. Duwt de muzikant de draad tegen de plaat dan ontstaat er een gesloten elektrisch circuit. Dit contactpunt bepaalt de weerstand van het circuit en bijgevolg de toonhoogte van de toon. Met de draaiknoppen op de console konden onder andere het toonbereik van de snaar en het timbre van de opgewekte tonen aangepast worden. Met de pedaal regelde je het volume.   

Voor Trautwein was het belangrijk dat de muzikant zelf de toonhoogte, het volume en het timbre kon controleren. Niettegenstaande hij aanvankelijk een instrument met een traditioneel klavier wou bouwen, brachten Hindemith (zelf een altviolist) en Sala hem op andere gedachten. Met het trautonium kon je dus enerzijds vaste toonhoogtes spelen en anderzijds konden nieuwe, tussenliggende klanken (zoals kwarttonen) ontdekt worden. Het spelen van kwarttonen was trouwens een fetisj van Jörg Mager. Door het mogelijk te maken kwarttonen te spelen op zijn instrumenten, bevrijdde hij de muzikant ook van het juk van de halve-toon opeenvolging in de toen heersende muziekpraktijk.

In de plaats van elektronenbuizen gebruikte Trautwein neonlampen, die als basisklank een zaagtandgolf lieten horen, met een timbre dat het dichtst aansloot bij dat van de viool of andere strijkinstrumenten. Dit was voor Trautwein onvoldoende en hij ging op zoek naar manieren om het basistimbre te vervormen. Het resultaat van additieve en subtractieve technieken konden evenmin het gewenste resultaat leveren, net als de superpositie van boventonen. Hij zocht en vond een nieuwe aanpak voor het probleem van de elektrisch opgewekte timbres in het fenomeen van wat hij de Hallformantentheorie noemde, concreet: met behulp van een LC-kring formanten selecteren uit boventoonrijke klanken en die formanten aanpassen. Trautwein kreeg met die theorie echter weinig navolging, en zelfs in de latere modellen die Sala ontwikkelde was er al geen plaats meer voor.

Een extra voordeel van het trautonium was dat doe-het-zelvers het relatief gemakkelijk konden nabouwen. Heel snel na de première van het instrument waren er al bouwplannen beschikbaar en kwam het trautonium uitgebreid ter sprake in radioamateur tijdschrijften zoals "Radio für alle" en "Der Deutsche Rundfunk". Ook in de VSA was er interesse. In 1933 verscheen in het tijdschrift "Radio-Craft" van Hugo Gernsback een artikel over hoe je een trautonium kon bouwen. Hij beschreef het trautonium als "een eenvoudig muziekinstrument dat door iedereen thuis kan gebouwd worden ... niet te ingewikkeld, niet te duur.". En in navolging van de marketingpraatjes in het kader van de theremin, drukte men er ook hier op dat het instrument snel en gemakkelijk kon aangeleerd worden, ook al had je geen muzikale bagage.

Het Volkstrautonium

De eenvoud van het trautonium en de potentiële markt voor massaproductie, zetten Trautwein en Sala er toe aan om in 1931 een nieuwe versie te maken van het trautonium, met de steun van Telefunken: het Telefunken-Trautonium, alias het Volkstrautonium, een ideaal instrument om thuis te spelen.

De basis van het instrument bleef hetzelfde, maar het volledige instrument paste nu in 1 doos, met een pedaal. De neonlampen werden vervangen door een thyratron (een gasgevulde elektronenbuis), die stabieler was voor de toonhoogte. Ook de verplaatsbare ('hulp')toetsen boven de snaar en de drukgevoelige metalen plaat (pressure sensitive), toegevoegd op een later model van het trautonium, bleven behouden bij het volkstrautonium. Voor het speelgemak van de muzikant werden enkele (draai)knoppen toegevoegd, vooral om vlugge octaaftransposities mogelijk te maken en timbre-aanpassingen toe te laten.          
En last but not least, het volkstrautonium kon aan een radio geschakeld worden, die dan zowel als voedingsbron als versterker functioneerde.

Het volkstrautonium was de technische verpersoonlijking van het ideaal van de Gebrauchsmusik: in plaats van muziek te componeren voor amateurmuzikanten, geef hen de middelen om er zelf te maken. De nadruk ligt dus niet meer op "muziek om naar te luisteren" (het romantische ideaal), maar op "muziek om zelf te spelen". En het trautonium werd beschouwd als het ideale instrument om dat te doen: betaalbaar, gemakkelijk te spelen en muzikaal flexibel. Of om het met Thomas Pattesons woorden te zeggen:"... Het trautonium zou voor de 20ste eeuw kunnen zijn wat de piano was voor de 19de eeuw: de instrumentale basis van een cultuur van amateurmuzikanten".

Na de première in 1933 op de Berliner Funkausstellung kwam het instrument datzelfde jaar op de markt. Verkoopscatalogi speelden handig in op de idealen van de Gebrauchsmusik, door enerzijds te wijzen op de oneindige timbremogelijkheden (het moderne) en anderzijds te benadrukken dat je er traditionele instrumenten gemakkelijk kon op nabootsen (het traditionele).  
Telefunken hamerde echter iets te hard en te eenzijdig op de nagel van de klanknabootsing: " Iedereen die trautonium speelt, kan elk muziekstuk, ongeacht voor welk instrument het gecomponeerd werd, in het karateristieke timbre van dit instrument uitvoeren.

Deze stelling spoorde op geen enkele manier met de oorspronkelijke bedoeling van de bouwer(s) om het (volks)trautonium te gebruiken om nieuwe klanken en klankwerelden te ontdekken. Die spreidstand was niet vol te houden. De mogelijkheid om nieuwe klankkleuren te ontwikkelen (modernistische, experimentele muziek) enerzijds, en het aansluiten bij bekende timbres van traditionele instrumenten anderzijds (amateurmuziek), hoeven elkaar niet in de weg te staan, maar op artistiek vlak stonden ze tegenover elkaar. Het volkstrautonium werd in de eerste plaats beschouwd als een huisinstrument, met als gevolg dat originele muziek voor trautonium amper werd gecomponeerd. En die muziek was nodig om het instrument naar een hoger niveau te tillen. Al van voor de ontwikkeling van het volkstrautonium was er vraag naar originele muziek. Het was een klaagzang die dikwijls te horen was in dit kader, ook bij andere elektronische instrumenten: niet langer de techniek stond op de rem van de ontwikkeling (de instrumenten zijn er), maar de artistieke wil van componisten en muzikanten was afwezig.

In een ultieme poging om het instrument levendig te houden en de kwaliteiten van het instrument te benadrukken, speelde Sala concerten met hoofdzakelijk barokmuziek, en klassieke en romantische werken op het repertoire, aangevuld met wat Hindemith voor het instrument had gecomponeerd. Van harte was het niet want op de vraag van een journalisit of het trautonium traditionele instrumenten moet kunnen nabootsen, antwoordde Sala:"Nu moet ik ontsteld reageren: in godsnaam, neen". Maar zijn pogingen konden geen van beide partijen tevreden houden, integendeel: de traditionalisten noemden het "experimenteren met de klassiekers", en de modernisten verweten hem op de rem te staan van nieuw repertoire door dergelijke concerten te spelen.

Niettegenstaande al die mooie vooruitzichten, beloftes en idealen, was de lancering van het volkstrautonium een mislukking. De timing kon niet slechter: een werkloosheidsgraad van 30%, de prijs van een exemplaar bedroeg ongeveer RM 400 (2,5 maal een gemiddeld maandloon) en zware concurrentie van de veel goedkopere radio, de Volksemphänger (RM 76). Bij het grote publiek brak het instrument niet door, en veel (muziek)critici bleven het moeilijk hebben met de nieuwe elektronische instrumenten. Het fundamenteel tekort aan originele muziek voor het (volks)trautonium hielp daar ook niet bij, evenmin als de afwezigheid er van op de podia. Telefunken trok zich, vooral op basis van de tegenvallende verkoopcijfers, terug uit het project. Er werden tussen de 100 en 300 exemplaren geproduceerd, slechts een handvol werden verkocht. De productie werd gestopt in 1937, wisselstukken waren niet meer beschikbaar en alle niet verkocht exemplaren werden naar Trautwein teruggestuurd, met de boodschap om de firmanaam nooit meer te gebruiken in relatie met het trautonium.

Het trautonium tijdens het naziregime

Nieuwe bazen, nieuwe wetten! En met de benoeming van Adolf Hitler tot rijkskanselier in 1933 was het aangewezen daar gevolg aan te geven en de politieke wind goed aan te voelen als je nog kans wilde maken op enige erkenning.           
Jörg Mager dacht op een goed blaadje te kunnen staan met Fritz Stein (de nieuwe directeur van de Hochschüle für Musik), door Hindemith in 1933 te verlinken. Die laatste had Trautweins instrumenten verkozen boven de zijne en nu dacht Mager wraak te kunnen nemen door het regime er op te wijzen dat Hindemith met een Joodse was getrouwd, Marie Warncke, en samenwerkte met Joodse muzikanten. Zijn muziek was toen nog niet officieel als entartet bestempeld (dit gebeurde later in de jaren 1930), maar het feit dat Joseph Goebbels in 1934 over Hindemtih al sprak in termen van een "atonale lawaaimaker" was geen goed voorteken. Maar voor Mager zich rijk kon rekenen vond Trautwein in de archieven van het Rundfunkversuchstelle 5 communistische strijdliederen, gecomponeerd door Mager. Samen met een begeleidende brief stuurde hij ze in 1935 op naar Stein. Exit Mager, en in 1937 werd Trautwein (lid van de partij sinds 1933) benoemd tot professor akoestiek aan de Hochschüle. Dit garandeerde niet alleen zijn eigen professioneel overleven, maar ook dat van de apolitieke Sala en het zou ook het trautonium ten goede komen.

Niet alles uit de Weimar Republiek was per definitie slecht in de ogen van het naziregime. De technologische revolutie, bijvoorbeeld, werd omarmd en ingezet ten gunste van hun ideologieën. Ook elektronische muziek kon het regime diensten bewijzen. Dit werd al snel duidelijk na een voorstelling van het trautonium aan Goebbels in 1935. In bijzijn van Trautwein en een select kransje van muzikanten en componisten, bespeelde Sala er het trautonium. Bach, Beethoven en Reger stonden op het programma. Terwijl Trautwein Goebbels trachtte te overtuigen van de muzikale kwaliteiten van het instrument, was het voor de minister vooral belangrijk te weten hoe het instrument muziek kon voorzien tijdens massaevenementen.

Intussen bouwde Sala aan een nieuw model van het trautonium, het Rundfunktrautonium. Het instrument werd in 1935 gebouwd op vraag van het Reichsrundfunkgesellschaft. Dit instrument heeft twee 'klavieren', waardoor je er meerstemmig op kan spelen, en twee pedalen om het volume en de toonhoogte te veranderen. Het was mogelijk om subharmonieken of ondertonen te spelen. Dit gaf soms vreemde timbrecombinaties, maar het zette Hindemith toch aan om Langsames Stück und Rondo für trautonium voor dit instrument te componeren. Op basis van het Rundfunktrautonium bouwde Sala in 1952 het Mixtur-Trautonium. De toonopwekking gebeurde nog altijd met een subharmonische oscillator, maar Sala breidde het instrument uit met ruisgenerator, een envelope-generator en verschillende bandfilters.

Trautwein, en andere bouwers zoals Bruno Helberger, bleven de noodzakelijkheid van elektronische muziek en muziekinstrumenten verdedigen. Alleen gebeurde dit niet meer in de geest van de Weimar Republiek, maar wel netjes passend in de retoriek van het naziregime:" Technologie is geen duivel; het is een product van onze ... landgenoten, met wie de kunstenaar kan en moet samenwerken als kameraad voor het nieuwe Duitsland."

Het mislukken van elektronische muziek was volgens Trautwein te wijten aan het individuele kapitalisme tijdens de liberale bourgeois periode (dwz de Weimar Republiek). Nieuwe instrumenten waren het slachtoffer van kortzichtigheid en geldgewin (een sneer naar Telefunken). Maar nu, "in het tijdperk van het nationaalsocialisme [is] de economie niet de meester maar de dienaar van de cultuur". Welgemeend of cynisch gevlei, dat maakte niet uit. Het hielp de elektronische instrumenten aan een plaats binnen de ideologie van het fascistisch Duitsland.

De eerste grote test kwam er met de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn. Trautwein ontwikkelde een systeem om klank te verspreiden over grote menigtes en gebruikte het trautonium om het speaker systeem van het nieuwe stadion te testen. Daarnaast was het instrument ook te horen in de officiële radioprogrammatie in het kader van de OS. Het trautonium bleef, niettegenstaande de recente uitvinding van het door het nazistisch Kraft durch Freude - programma gefinancierde Großtonorgel van Oskar Vierling, het vlaggenschip van de Duitse elektro-muziek. Sala speelde veel concerten en ontwikkelde een makkelijker hanteerbaar exemplaar, het Konzerttrautonium. Op Deutschlandsender (een radiostation onder controle van het Reichsministerium für Volksaufklärung und Propaganda) had het trautonium zijn eigen programma, „Musik für Trautonium".

De populariteit van het instrument zorgde ook voor interesse bij componisten. Vooral Harald Genzmer (1909-2007) - notabene een leerling van Hindemith - onderscheidde zich met zijn Konzert für Trautonium und Orchester: met een knipoog naar nieuwe composititetendenzen, maar mooi binnen de grenzen van de laat-romantische romantiek, dwz Nazi-Romantiek. Na de oorlog kwam Trautwein niet in de problemen tijdens de denazificatie. Zijn toewijding aan het regime werd niet bestraft, ook al was hij betrokken bij het onderzoek naar het ontwikkelen van elektrisch gestuurde systemen bij het besturen van langeafstandsraketten. Van 1950 tot aan zijn dood in 1957 werkte hij als akoesticus aan de Robert Schumann Hochschule in Düsseldorf.

Het trautonium na WO II

Toch raakte na WO II het (volks)trautonium, samen met alle andere Duitse elektronische instrumenten,  in de vergetelheid. De institutionalisering en de wetenschappelijke benadering van instrumentenbouw bleken niet de juiste basis om de nieuwe generatie muziekinstrumenten een plaats te geven in het dagelijkse en artistieke leven. Zonder die 12 jaar nationaalsocialisme had het misschien anders kunnen lopen, maar daar kunnen we geen uitspraken over doen.
In tegenstelling tot bijvoorbeeld de theremin en de ondes martenot werd het trautonium zeer weinig gebruikt in de film. Al was de term film-muziek voor WO II bij geen van die instrumenten toepasbaar. Elektronische instrumenten werden toen ingezet bij bruitages. In het geval van het trautonium was dat de imitatie van vliegtuigpropellers in de film Stürme über dem Montblanc (1930). Een filmcarrière was er voor het instrument echter niet weggelegd. Met uitzondering van een aantal kortfilms en Wochenschau-bijdragen, volgde er nog een (en enig) filmoptreden, The Birds (1963) van Alfred Hitchcock. Sala imiteerde er met zijn Mixtur-Trautonium het geschreeuw van de vogels.   

In de kunstmuziek was het trautonium niet veel beter af. Buiten drie werken van Hindemith, zes van Genzmer, en een paar recente composities was er voor het trautonium geen plaats in de kunstmuziek. In de populaire muziek zijn er zelfs geen sporen te vinden van het gebruik van een trautonium.      
Opnieuw is het verschil met andere vroege elektronische instrumenten zoals de theremin en de ondes martenot, maar ook met de ondioline en de clavioline, immens. Dit mag toch enigszins verbazen aangezien Oskar Sala tot aan zijn dood in 2002 met het trautonium bleef concerteren, opnames maken en publiceren over het instrument. Recent zijn alle ogen gericht op de Duitser Peter Pichler om het tij alsnog een beetje te doen keren.    

Het trautonium in het mim

Het mim is in het bezit van een Telefunken-Trautonium (inv. 3870). Het instrument werd ons, samen met een ondes martenot, geschonken in het jaar 1963 en was het bezit van Robert Haerens (1888-1952), een ingenieur werkzaam bij Empain. Over zijn muzikale achtergrond weten we niets, maar het was niet ongebruikelijk dat ingenieurs interesse toonden voor elektronische instrumenten. Veel uitvinders (oa Leon Theremin, Maurice Martenot, Friedrich Trautwein, maar later ook Robert Moog) waren ingenieurs of hadden minstens een meer dan gezonde interesse in elektronica. Een artistieke link had Haerens wel, hij was getrouwd met de beeldhouwster Louisa Robelus (1884-1961).

Op het identificatieplaatje op de achterkant van het instrument staat het volgende vermeld:" Telefunken-Trautonium / nach Schutzrechten von Helberger-Lertes / Trautwein / Ela. T 42 / Nr 349". Het is vooral "nach Schutzrechten von Helberger-Lertes" dat in het oog springt. Het is zo dat Trautweins principe van een gespannen snaar en een gesloten circuit toen al niet nieuw was. Helberger en Lertes hadden die techniek in 1928 al laten patenteren. De vernieuwing van Trautwein was het toevoegen van de hulptoetsen. Toen Telefunken de productie van het trautonium overnam werd de zaak opgelost door Helberger en Lertes op het identificatieplaatje te vermelden.

Bibliografie

  • Donhauser, P. (2007). Elektrische Klangmaschinen: Die Pionierzeit in Deutschland und Österreich. Wenen: Böhlau Verlag.
  • Brend, M., The Sound of Tomorrow: How Electronic Music Was Smuggled into the Mainstream, New York: Bloomsbury, 2012
  • Patteson, P. (2016). Instruments for New Music: Sound, Technology, and Modernism. Oakland (CA): University of California Press.
  • http://120years.net/, laatst geraadpleegd op 30 juni 2021.