Print

Wandelstokfluit

aërofoon

Er is een categorie muziekinstrumenten die een beetje speciaal is, omdat ze een dubbele functie hebben: de wandelstokfluiten of fluitwandelstokken. Het zijn wandelstokken die in een oogwenk kunnen veranderen in een goed werkende (dwars)fluit. Sommige bronnen vermelden dit soort gebruiksvoorwerpen vanaf de 16e eeuw, zoals bijvoorbeeld de inventaris opgesteld voor de opvolging van Hendrik VIII van Engeland. Daarin wordt een tiental fluiten vermeld als 'pelgrimsstaven', wandelstokken die zeer gewaardeerd werden door de bedevaarders die naar Santiago de Compostella trokken. Ze konden immers ook dienst konden doen als wapen tegen reisgezellen met slechte bedoelingen.

De hoogdagen van de wandelstokfluiten situeren zich eigenlijk in de tijd van de Franse Revolutie, toen ook de degenstok erg in trek was. Ietwat vriendelijker van aard dan deze laatste kenden de fluiten vooral succes bij de enthousiaste reizigers en occasionele wandelaars... maar de eerlijkheid gebiedt ons toe te geven dat er ooit fluitdolken ontworpen en verhandeld werden!

Wandelstokinstrumenten zijn aan het begin van de 19e eeuw eigenlijk een uiting van de romantische idee van de band tussen muziek en natuur. Ze zijn amusant en bijzonder, en konden zeer verschillende vormen aannemen, dus van een dwarsfluit, maar ook van een blokfluit, een flageolet, een klarinet, een hobo, een viool, een mondharmonica, een ocarina, een kazoo en zelfs van een natuur- of ventieltrompet! In de collecties van het mim worden verschillende voorbeelden van wandelstokfluiten bewaard (inv. 0201, 0447, 1110, 2346, 2385, 2697, 2698, 2699, 1993.032), maar ook een wandelstokklarinet (inv. 0413), -hobo (inv. 1991.012), en -viool (inv. 1356), te zien op  www.carmentis.be.

De wandelstokfluit die we deze maand in de kijker zetten komt uit de persoonlijke verzameling van de oprichter van het museum, Victor-Charles Mahillon. Ze kwam in de collectie terecht in 1883, is van buxus gemaakt en is 92,5 cm lang. De punt is van messing, net zoals de ring bovenaan.

De ivoren knop is een buste van een man met baard en tulband. Naast het blaasgat heeft de fluit ook nog zes vingergaten en een gat dat afgedekt is met een houten klep. Dit klepje is eigenlijk uitgesneden uit de fluit, om zo weinig mogelijk op te vallen. Het gat bij de metalen punt vervangt het open uiteinde van een normale dwarsfluit. In de kop zitten nog twee kleine gaatjes waardoor een dunne riem of een touw kan gestoken worden om het instrument vast te houden.

Deze wandelstokfluit is te zien in de expo op de 1e verdieping, in de vitrine 'Belgische houtblazers' in het historisch circuit. Ze werd gemaakt door Pierre-Paul Ghislain Joseph Dupré (1790-1862), een handige muziekinstrumentenbouwer uit Doornik die een atelier had aan de Grote Markt daar. Hij was autodidact en een echte vakman. Hij toonde zijn werk op enkele nationale tentoonstellingen: in Gent in 1820, in Haarlem in 1825 en in Brussel in 1830, waar zijn instrumenten lof oogsten voor hun afwerking en hun klankkwaliteiten. Hij onderscheidde zich vooral door zijn wandelstokfluiten (het mim bezit er dus vijf) en ook door een instrument dat hij uitvond, de tuba-Dupré (te zien in de vitrine 'Lage kopers')